Terugblik op de erkenning en herkenning van de naoorlogse generatie.
Eind oktober organiseerde Joods Maatschappelijk Werk (JMW) in Amsterdam een gespreksavond voor oud-deelnemers aan de conferenties van Woudschoten. Waar gingen deze conferenties over en wie deden eraan mee?
,,Eind jaren tachtig constateerden we bij JMW dat er grote behoefte bestond aan informatie over de problematiek van kinderen van overlevenden ofwel de naoorlogse generatie’’, vertelt oud-JMW en oud-Elah medewerker Reynoud van Ginkel, die aan de wieg stond van Woudschoten. ,,We werden benaderd door mannen en vrouwen die in de reguliere zorg in therapie waren geweest. Als ze hun therapeuten voorstelden dat er misschien een relatie bestond tussen hun moeilijkheden en het oorlogsverhaal van de ouders, werd daar niet op ingegaan. Bij JMW zagen we dat verband wel.’’
Relatieproblemen, problemen op het werk, moeite met agressieregulatie, dat waren volgens Reynoud terugkerende klachten van deze generatie die opgroeide in de schaduw van de oorlog. Het ging om een generatie die de ouders geen verdriet wilde aandoen, die juist het leed van de ouders wilde goedmaken en haar uiterste best deed om aan de verwachtingen van ouders te voldoen, vaak ten koste van de eigen wensen, noden en ontwikkeling.
Als eerste stap maakte JMW informatiemateriaal en werden via allerlei kanalen kennismakingsbijeenkomsten aangekondigd. Reynoud: ,,Het centrale doel was erkenning en herkenning te creëren. Veel deelnemers waren buiten de Joodse gemeenschap opgegroeid. In Woudschoten en in de gesprekgroepen die daarop volgden, troffen ze mensen met vergelijkbare ervaringen. Soms vonden ze ook de weg naar het Joodse leven. In die tijd speelde het familiegeheim nog heel erg. Sommige kinderen hadden niets durven vragen aan hun ouders, anderen kregen daarentegen voortdurend de verhalen van de ouders over zich heen. Hoe daarmee om te gaan en hoe zich daartoe te verhouden, dat was een van de belangrijke vragen.’’
Een van de mensen die door JMW werd bereikt, was Harry Polak. Harry: ,,In het Amsterdams stadsblad zag ik een hele kleine advertentie van JMW in verband met een gespreksgroep over Joodse achtergrond. Daar heb ik op ingetekend. Deze voorloper van Woudschoten was een hele positieve ervaring. Daardoor kwam ik in contact met leeftijdsgenoten met hele uiteenlopende, zeer boeiende achtergronden. Een van hen vertelde over haar proces van uitkomen. Dat heb ik mijn oren geknoopt. Later hebben mijn vrouw en ik met onze drie kinderen ook deze stap gezet.’’
Harry had een heel eigen traject achter de rug. Hij was de jongste zoon van een Joodse vader die in de oorlog door de Japanners was tewerkgesteld aan de bouw van de Birma-spoorweg, terwijl zijn niet-Joodse, Indische moeder er bewust voor koos om met Harry’s oudere broer samen met Joodse vrouwen in een jappenkamp te worden geïnterneerd. Na de oorlog scheidden zijn ouders lange tijd van tafel en bed. Harry groeide op in Katwijk in een niet-Joodse omgeving, maar in zijn puberteit ging ‘het Joodse’ spelen. Hij werd lid van Haboniem en deed mee met kampen en excursies. Het voelde een beetje als thuiskomen, zegt hij, maar tegelijkertijd zag Harry in dat het met ‘alleen een Joodse vader’ een moeilijk verhaal was.
Harry: ,,Toen ik later over de ‘tweede generatie’ hoorde, dacht ik aanvankelijk dat het op mij geen betrekking had. Mijn ouders waren immers niet ondergedoken, gevlucht of naar vernietigingskampen gestuurd. Maar nadat ik een keer vertelde over de hechte relatie tussen mijn moeder en mijn oudste broer, die samen in het jappenkamp zaten, een relatie waar ik niet tussen kon komen, werd ik door de toehoorder meteen ingelijfd bij de tweede generatie. Ik ben gaan lezen en herkende inderdaad de kenmerken. Ook voelde ik me aangesproken door de typering van Tamarah Benima: dat het gaat om een generatie met een ‘lege sociale ruimte’, waar tantes en ooms, opa’s en oma’s ontbreken.
,,De eerste Woudschoten-conferentie heb ik gemist, waar voor het eerst in groot verband lot- en leeftijdsgenoten met elkaar in contact werden gebracht. Maar daaropvolgende bijeenkomsten heb ik wel bezocht en ik werd heel actief in Jonag (Joodse Naoorlogse Generatie), de vereniging die uit Woudschoten voortvloeide. Daar heerste een tolerante en prettige sfeer. Ik heb er leren inzien dat er allerlei manieren zijn om met je Joodse achtergrond om te gaan, en ik heb ook geleerd om mild te zijn over de zoektocht van anderen. We hielpen elkaar daarin. Velen waren ‘ongebonden’ en bleven nogal aan de buitenkant, terwijl ik veel dieper in het Joodse leven ben gedoken.’’
Mede als gevolg van de Woudschoten conferenties is de problematiek van de naoorlogse door de Nederlandse overheid erkend en wordt psychotherapie voor deze groep door het ministerie van VWS vergoed. Ook bij het Elah Centrum geven we therapie en hebben we in de loop der jaren diverse activiteiten voor deze groep op touw gezet.
