Er is zoveel dat wij als tweede en derde generatie niet weten over onze (groot)ouders in de oorlog. We groeiden op met flarden, stiltes, halve zinnen. Als kinderen voelden we haarfijn aan waar de grenzen lagen. We wisten dat sommige onderwerpen beter onaangeroerd konden blijven, ook al spookten de vragen door ons hoofd.
‘Pappa, logeerde je soms bij je grote zus? Speelde je dan met je neefje en nichtje, die ik alleen ken van de foto in oma’s huis? Wanneer wist je dat ze allemaal vermoord waren? Ben je de vrouw van je broer nog gaan opzoeken, nadat hij naar Auschwitz was gestuurd? Wat is er met jou gebeurd? Wie had de familie verraden? Wanneer zag je je moeder terug, nadat zij uit het kamp was gekomen?’
Het zijn allemaal vragen die ik nooit hardop stelde. In plaats daarvan verzon ik mijn eigen antwoorden. Soms hoopvolle, soms angstaanjagende. Ik voelde dat vragen stellen betekende: wonden openhalen die nooit echt waren geheeld.
Toen ik eenmaal volwassen was, waagde ik één poging. Ik vroeg door. Mijn vader trok zijn jas aan, liep naar buiten en zei niets. Ik heb het bij die ene poging gelaten. Ik wilde hem geen verdriet doen, geen pijn toevoegen aan een leven dat al zo zwaar was belast. Nu, jaren later, heb ik soms spijt dat ik niet heb doorgezet. Want met hem verdwenen ook de antwoorden.
Niet alle vragen kunnen nog beantwoord worden. Maar juist nu komen andere feiten langzaam binnen bereik. Archieven gaan open. Namen, documenten en getuigenissen worden zichtbaar in digitale databanken. Toch blijkt zelfs dat moeizaam. Neem het CABR, het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, dat vorig jaar deels werd opengesteld. Wie het wil raadplegen, moet fysiek naar Den Haag. Dagelijks is een beperkt aantal werkplekken beschikbaar, en een afspraak moet ruim van tevoren worden gemaakt. In een tijd waarin bijna alles digitaal toegankelijk is, voelt dat als een extra drempel.
Die drempel is geen toeval. De beperkte toegankelijkheid wordt mede ingegeven door bezwaar van families van veroordeelde oorlogsmisdadigers. Hun ongemak, hun angst voor confrontatie, weegt blijkbaar zwaarder dan het verdriet en het recht op weten van de nabestaanden van slachtoffers. Dat doet pijn. Want voor ons gaat het alleen om begrijpen. Om het samenstellen van een familiegeschiedenis die jarenlang uit stiltes bestond.
Herinnering en waarheid zijn niet alleen van historisch belang, maar van levensbelang voor hen die met de erfenis van de Sjoa zijn opgegroeid. Misschien vinden we niet alle antwoorden. Misschien doet wat we wél vinden opnieuw pijn. Maar de mogelijkheid om te zoeken, om te weten, om eindelijk hardop te mogen vragen, is geen luxe. Het is een recht.
Simone Haller
Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) wordt beheerd door het Nationaal Archief in Den Haag. Het bevat dossiers van personen die werden verdacht van samenwerking met de Duitse bezetter. Daarnaast is in de dossiers informatie te vinden over de slachtoffers van collaboratie, in de vorm van getuigenverslagen, brieven, foto’s en andere documenten. Vanwege privacyrisico’s werd besloten het archief niet online toegankelijk te maken. Belangstellenden konden alleen na reservering het CABR digitaal inzien in de studiezaal van het Nationaal Archief. Maar vanaf februari 2026 worden nieuwe voorzieningen verwacht. In een aantal Nederlandse steden zullen terminals worden geplaatst waar geïnteresseerden het archief kunnen raadplegen.
